Posts tonen met het label verhalen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label verhalen. Alle posts tonen

woensdag 20 april 2016

Antieke zaken: deel 4.R


La Pittrice kon nu geen kant meer op. Ze stond vlak bij het ei, maar leek niet van plan het op zijn echtheid te keuren. Daar zorgde het geladen pistool in Il Pollo’s hand nu voor, dat hij zojuist vlotjes uit het geheime compartiment van zijn eigen koekoeksklok had weten te toveren. Zo was de oplichter, altijd een stapje voor. Toch bleef ze er ongewoon ontspannen bijstaan. Te ontspannen. Het werkte enkel meer op zijn zenuwen.

“Niemand verlaat die zaak hier zonder dat ik er de toestemming voor geef!” Il Pollo verschoot niet van de woorden die uit zijn mond kwamen geschoten. De woede en onmacht hadden zich meester gemaakt over zijn taal zowel als zijn handelingen. Waar hij een tiental minuten eerder een antiekzaak binnen stapte om een doodgewone kunstruil te doen, stond hij daar nu vol spanning en woede met zijn revolver gericht op een onschuldige vrouw. Hij hoopte dat dat voldoende zou intimideren, maar daar leek La Pittrice immuun voor.
“Wanneer ga je de toestemming dan geven? Ik zal even vergeten dat jij je niet aan de afspraak hebt gehouden om geen geweer mee te nemen. Jij steekt je pistool gewoon in je binnenzak, laat het ei hier en wandelt met het schilderij naar buiten. Dan is de ruil rond en hoeven we elkaar nooit meer te zien.” De pretentie in de stem van La Pittrice druppelde langzaam bij in Marcels emmertje, dat niet meer al te leeg was. ‘Ik zal even vergeten dat jij je niet aan de afspraak hebt gehouden.’ Ze had verdomme zelf een pistool bij! Alleen kon ze daar nu niet meer bij. Of zo hoopte hij toch.
De ogen van Marcel richtten zich naar de handen van de zakenpartner tegenover hem. Ze had inderdaad geen geweer vast, maar enkel dat kleine stukje verfrommeld papier. Terwijl La Pittrices blik op een punt in de verte gericht was, liet ze het papier tussen duim en vingers glijden. Bewust of niet, ze was een propje aan het rollen. Marcel wist heel goed hoe dat ging. Hij had het honderden keren zien gebeuren. Als hij zich achterom draaide en de vingers aanstaarde die dan nog onschuldig over het papier gleden. Vingers die, van zodra Marcel zijn hoofd weer naar het schoolbord richtte, plagerig de propjes in zijn richting schoten. Als die vingers maar eens wisten hoe veel harder die propjes aankwamen dan ze vertrokken. Marcel keek naar de vingers die uitdagend 20 jaren later net hetzelfde bezig waren. Zijn handen trilden. Zijn hoofd werd wazig. En plots werd alles hem duidelijk.
Il Pollo was al lang Il Pollo niet meer. Hij was Marcel Seegers geworden toen de woede hem had omarmd. Nu stond hij daar als kleine jongen. Onvriendelijk, rebels, gefrustreerd. Klaar om uit te barsten wanneer het hem te veel werd. En dat was grappig. Dat was waar ze het om deden, de rotzakken. Tegenover hem stond Christine, het meisje dat destijds een schoolbank achter hem zat. De aanstoker van het gepest. Plagen en lachen, tot op het moment dat Marcel er genoeg van had. Ze stond niet enkel in gedachten voor hem. Nee, zij was het met wie Marcel een kunstruil aan het maken was. Zij, die mee verantwoordelijk was voor het mislukken van zijn jeugd, was de stem die hij een tiental minuten geleden niet kon thuisbrengen. De stem had een gezicht gekregen. Een gezicht en een lijf en handen. Zou ze weten dat ze met vuur speelde tijdens het rollen van dat papier?
Het gezicht van Christine vertoonde rare trekjes. Zenuwen natuurlijk, want Marcel stond nog steeds met een geweer op haar gericht zijn verleden op te rakelen. Alles wat hij twintig jaar had proberen te verdringen, kwam nu stilaan aan de oppervlakte van zijn hersenpap bovendrijven. De man vroeg er niet om, maar hield het evenmin tegen.
De lessen geschiedenis waren het meest geschikt: de toegeeflijke, onoplettende leerkracht vooraan deed geen moeite om de propjes tegen te houden die zijn klasgenote om de vijf minuten naar zijn achterhoofd katapulteerde. Na Christine volgde de rest van de meisjes op de achterste rij. En zo ging dat vele lesuren door. Geplaag, gegiechel en af en toe een Marcel die boos uithaalde. Het moest ergens halverwege de derde kruistocht zijn geweest dat de bom in Marcels hoofd iets harder was losgebarsten dan gewoonlijk. Hij had Christine aan haar haren getrokken en had haar pennenzak uit het raam twee verdiepingen naar beneden geworpen. De andere meisjes werden uitgescholden op een manier dat je er tegenwoordig niet meer met één GAS-boete vanaf zou komen en hun banken bleven na een armzwaai van Marcel al even leeg achter. Nadien was hij al vloekend op iedereen en alles de klas uitgestormd. De propjes hadden iets in hem losgemaakt. Iets wat in hem zat en hij liefst nooit naar boven had laten komen.
Die keer was de boodschap bij Christine aangekomen. Na haar excuses volgde een alliantie. Ze moest potentieel in hem hebben gezien, want nu gingen ze samen verder met het uithalen van kattekwaad en het plagen van de leerkrachten. Toch bleef het een haat-liefdeverhouding. Ze strijdden tegen elkaar in wie er het verste kon gaan. Uiteraard was dat Marcel. Christine kon hem ver drijven. Heel ver ...
Marcel keek weer op, nu pas naar haar gezicht. Hoewel hij Christine aan haar handen had herkend, kwam de echte woede pas naar boven bij het zien van het gezicht van zijn ex-klasgenote. Daar stond ze dan, met dezelfde uitdagende blik als altijd in haar ogen. Een trigger van een onschuldig propje dat was uitgemond in een schoolbrand veroorzaakt door hen beiden. De jongen werd van school gestuurd en gestraft. Hij werd rebelser en raakte verder van wal. De schulden die hij had opgelopen en de schade die hij had aangericht hadden hem ertoe gebracht hier met een vogelmasker op een nep kunstwerk te proberen verkopen.
“Het spijt me.” In een flits ontwaakte Marcel uit zijn gedachten. Hij keek recht in de ogen van Christine en zij keek terug. Waar kwamen die prevelende woordjes vandaan? Herkende zij hem ook? Was deze hele ontmoeting opgezet geweest om hem weer eens belachelijk te maken?
“Wat spijt je?” Zijn woorden waren vuurpijlen die Christine zonder te ontwijken op zich af liet komen.
“Waarom richt je een pistool op me?” Dat was haar antwoord. Ze speelde er weer mee. Marcels woede was niet uit zijn woorden weg te houden: “Wat spijt je!?”
Marcel probeerde achter een antwoord te vissen in de ogen van Christine maar alles ging opeens bliksemsnel. Haar blik ging plotseling langs hem door en haar oogleden deden teken naar god-weet-waar. Op dat moment schoot ze het opgefrommelde stukje inpakpapier in zijn richting, recht naar zijn vogelmasker. Raak. 100 punten.
Je zou kunnen zeggen dat Marcel inzag dat er een plan tegen hem beraamd was en dat hij daarom uitvloog. Dat hij haar wilde straffen om hem opnieuw voor schut te zetten door te zeggen dat het haar spijt en hem meteen erna te bekogelen. Een andere mogelijkheid is dat hij wraak wilde voor al die pesterijen of de jaren van ontsporing nadien die volgens hem haar schuld waren. De waarheid was echter dat de emmer voor deze namiddag vol zat. Simpelweg te vol. Marcel barstte uit zoals hij dat vroeger altijd gedaan had, maar nu met een pistool in zijn hand. Zijn vinger schoot een kogel in een van de ogen van de vrouw tegenover hem. Traag viel ze in elkaar op de grond. Het propje inpakpapier was het laatste dat ze ooit geschoten zou hebben.
Door Marcels hoofd ging even helemaal niets meer. Hij wilde begrijpen wat er zonet gebeurd was, maar alles was leeg. Het pistool viel uit respect voor Christine uit de handen van de moordenaar. Marcel begon van kop tot teen te rillen.
“Jij gruwelijk monster”. De woorden van een diepe mannenstem klonken achter hem. Geen tijd om zich om te draaien, want een enorme dreun op het achterhoofd van Marcel maakte op slag alles zwart.



-------------------------------------------------------------------------------------------------------


Voor de trouwe lezers, zoals beloofd de link naar de andere kant van dit verhaal: https://verteloprobin.blogspot.be/

zondag 17 april 2016

Antieke zaken: deel 3.R


Een amateur, dat moest hij blijven lijken. Doen alsof hij geen idee had van de waarde van de Rechtvaardige Rechters. Doen alsof hij een persoon is die er niet veel vanaf weet, maar doet alsof hij er veel vanaf weet. Je moest als oplichter altijd een stapje extra denken. Zijn doffe blik die nog op het schilderij was gericht, werd verstoord door de gestalte van de vrouw die ervoor was komen te staan. Ze zei iets waar Il Pollo niet naar luisterde. Zijn gedachten kwamen alweer recht uit zijn mond: “Hoe weet ik of dat echt de rechtvaardige rechters is? Je hebt het niet eens beveiligd.” Uiteraard was het schilderij echt, maar hij moest als gevijnsde professionele onprofessioneel overkomen.

Er kwam een flauwe grap terug: “Als je een slot en twee bodyguards wil, moet je die zelf maar betalen. Alleen het schilderij zat in de deal.” Niet genoeg, dacht Il Pollo. De oplichter zweeg en liet de jeuk onder zijn masker stilletjes branden. Zijn tegenspeelster zei niets. De hoge status was aan hem. Mooi zo.
“Beveiliging zou net interesse wekken,” vervolgde ze uiteindelijk, en dat was een goed punt. “Ik kan je verzekeren dat heel wat passanten toevallig juist vandaag tussen het antiek zouden willen snuffelen om te zien wat voor fenomenaals hier binnen werd gebracht.”
Dit antwoord had Il Pollo niet verwacht. Hij dacht na en zei: “Ik geef er toch een hoop goud voor. Ik zou het schilderij graag eerst van dichtbij bekijken.” Zonder een antwoord af te wachten, stapte hij op het doek af. Hij kwam er recht voor te staan en probeerde nu te doen alsof hij het in alle nauwkeurigheid aan het bestuderen was. Zijn zakenpartner was elders gaan staan, maar haar zenuwachtigheid viel van overal te ruiken. De deal was bijna rond. Meteen zou hij zijn gezicht naar boven richten, La Pittrice recht in de ogen kijken en zeggen: “Akkoord! De ruil is rond. Pak het doek maar weer in. Het Fabergé-ei is voor jou.” Bijna, ware het niet dat Il Pollo’s gedachten opnieuw door elkaar geschud werden.
In de diepten van zijn oorschelp hoorde Il Pollo een geluid dat hem naar het verre verleden katapulteerde, dat van krakend papier. Dat zijn jeugd een hel was, wist de oplichter ondertussen wel. Toch deden zijn neuronen er werkelijk alles aan om hem hier dagelijks weer aan te herinneren. Elke minieme handeling en elk belachelijk geluidje was genoeg om zichzelf weer op de schoolbanken te zien zitten. Met zijn hoofd naar het schoolbord gericht, hoorde hij weer hoe achter hem papier in een propje gerold werd. Klaar om, wanneer de aandacht van de leerkracht eventjes verzwakte, in zijn richting geschoten te worden. Terwijl ze achter hem enkel het plezier van deze plagerij inzagen, bleef de emmer in het hoofd van Marcel rustig vollopen. Af en toe liet zo’n propje de emmer overlopen. En dan leegde Marcel de emmer maar meteen helemaal. Zou hij zonder dat geplaag ook woedeuitbarstingen gekregen hebben? Het is een vraag die Marcel zich al vaker had gesteld. Zou hij nog steeds van school gegooid geworden zijn? Was er een toekomst mogelijk waarin hij geen crimineel werd die kunstwerken moet vervalsen om te overleven? Het geluid van het verfrommelen bracht zijn verleden voor de zoveelste keer weer boven. Woede borrelde in hem op. Gevoed door zijn gedachten richtte hij in een ruk zijn hoofd op, zijn vogelbek naar de bron ervan gericht. Zonder na te denken stapte hij in strakke pas naar de handen van La Pittrice. Ze was aan het prutsen aan het inpakpapier op de toonbank.
Pas wanneer hij bij haar was, merkte Il Pollo hoe vreemd het er moest uitzien voor iemand die zijn jeugdtrauma’s omtrent papieren propjes niet kende. De jonge vrouw tegenover hem was gewoon zenuwachtig voor deze dure ruil en had geen reden hem te pesten. De oplichter probeerde zijn irritatie te verbergen en verzon vlug wat anders: “Ga weg van dat pistool.” Als vanzelf gehoorzaamde ze. Ze leek zelfs opgelucht. “Dat was niet de bedoeling,” zei ze en er was een lach te horen in haar stem. Een lach? Wat er op dit ijzige moment grappig was, kon Il Pollo niet verzinnen. Hij raakte enkel meer geïrriteerd: "Is er iets grappigs?" zei hij met een een overslaande stem. Met die zin gingen haar mondhoeken meteen weer staan als zojuist om een serieuze indruk te geven. Nu raakte ook zij geïrriteerd.
“Hoe weet ik zeker of dat het originele schilderij is?” Il Pollo voer verder op de frustratie die naar boven was gekomen en dat was te horen in zijn stem. “Volgens mij is het een vervalsing.” Zuivere bluf, hopend om wijzer te worden uit haar reactie. En om haar op haar plaats te zetten. Maar daar leek ze niet mee opgezet. Ze keek hem met een overtuigende en ontspannen blik aan en bewees in verschillende argumenten haar gelijk. Il Pollo had enkel geen oor naar hoe de penseelstreken gevormd werden en wat de gebroeders van Eyck met koolstofisotopen hadden, want in zijn hoofd gingen zijn gedachten de andere kant op. Zou het echt een vervalsing kunnen zijn? Had zij hem nu proberen afzetten en was deze hele ruil geen rotte cent waard? Woede borrelde in Il Pollo naar boven terwijl hij weer naar het schilderij wandelde. In zijn ooghoek zag hij haar weer naar het ei gaan. Om het te bestuderen of om ermee de antiekzaak uit te rennen omdat ze meteen ontdekt zou worden? Beide opties moest Il Pollo voor zijn. Hij mocht deze deal niet verliezen. Marcel Seegers zou nooit meer verliezen. Enkel nog winnen. Hij maakte een scherpe bocht in zijn strakke pas: nu recht naar de koekoeksklok van zijn overleden grootmoeder.

donderdag 14 april 2016

Antieke zaken: deel 2.R



Net nadat Marcel Seegers met vogelmasker en zwarte koffer de antiekzaak binnenkwam, hoorde hij een vrouw zich van de achterkamer naar voren haasten. Er zat een vuil luchtje aan de deal waarvoor hij hier was, dat was duidelijk. ‘Ik moet op mijn hoede zijn’, dacht de man en middenin die gedachte was tegenover hem een vrouw komen staan. Ze was groot. Of die indruk gaf ze althans. Stoer, rechtop, doordacht. Ze zou niet eenvoudig op te lichten zijn. La Pittrice, zijn zakenpartner, de vrouw die hem in enkele minuten heel gelukkig zou maken, zonder dat ze het zelf wist. Dit was ze dus. De ogen van Marcel gingen de vrouw van boven tot onder af, maar bleven hangen bij haar rechterhand. Ze droeg een revolver. Een kleine weliswaar, maar ook van kleine kogels gaat men dood. Marcel had al wat geweren gezien in zijn leven en dit zag er geenszins een bekend model uit. Zou het nep zijn? Hij durfde zich er niet over uit te spreken.
“Il Pollo?” Marcel schrok op. Haar stem was helemaal niet zo Italiaans als hij verwacht had van iemand die haar brief ondertekent met de naam ‘La Pittrice’. Haar accent kwam van deze streken. Wat een belachelijk idee om ook een Italiaanse schuilnaam te kiezen, dacht Il Pollo.
“Wat bent u… stipt.” De vrouw sprak iets zenuwachtiger nu. Gespannen. Il Pollo merkte plots dat hij niet geantwoord had op de eerdere vraag, noch had gereageerd op de revolver.
“Ik hou mij steeds aan afspraken, la Pittrice. Ik hoop dat u dat ook gedaan heeft?” Hij liet de argwaan met opzet stevig doorklinken.
“Geen externe mensen aanwezig, geen politie. Ik heb enkel het doek bij.” De ogen van Il Pollo richtten zich opnieuw vragend op de revolver in haar handen. Die van La Pittrice volgden. “En deze heb ik niet meer nodig”, sprak ze, en opnieuw trilde haar stem mee van de zenuwen. “Het is een voorzorgsmaatregel die ik in elke ruil hanteer. Bent u ongewapend?”
Il Pollo had niet veel woorden vandaag. Hij spreidde zijn armen om duidelijk te maken dat hij niets bij had en daar zelfs op gefouilleerd kon worden. Dat de vrouwenhanden ook nog op zijn voorstel in zouden gaan, had de man niet verwacht. La Pittrice legde haar pistool achteraan op de toonbank en kwam opnieuw tegenover hem staan. Twee ogen staarden hem aan. Ze glimlachte. Ze was gespannen maar ze glimlachte. Ook zij zou gelukkig worden van de deal. Of dat dacht ze nu toch nog.


Stiltes, Marcel hield er niet van. Actie was meer zijn ding. En dus liet hij geen seconde te veel voorbij gaan. Hij plaatste zonder woorden de zwarte koffer voorzichtig op een antiek kastje en opende twee slotjes. Het grote centrale slot was voor de sleutel uit zijn binnenzak. Hij opende de klep van het kistje en schoof de donkerrode flanellen doeken opzij. Daar lag het dan te pronken: een prachtig paasei.
Il Pollo hoopte dat zijn zenuwen niet te lezen waren. Hij mocht het nu niet verprutsen. Acht maanden heeft hij gedaan om één van de vermiste Fabergé-eieren na te maken. Alle details klopten, de materialen waren authentiek, alleen was de maker geen beroemde Russische goudsmid maar een magere Belg met financiële moeilijkheden. De vrouw tegenover hem zou er recht inlopen en er haar kunstwerk voor ruilen. Wanneer ze er achter zou komen, zou de deal al gesloten zijn en was het enige wat nog restte van haar schilderij een villaatje in de Provence. Eén waar Marcel Seegers zijn rentenierbestaan kon gaan beginnen. Het kwam er alleen op aan zijn rol goed te spelen: doen alsof hij geen flauw benul had van de waarde van het ei. Denken dat van het ei enkel het goud te recupereren is en dat in het niet valt tegen het vermiste paneel van het Lam Gods dat hij in ruil zou krijgen. Het mocht er niet te dik op liggen, dat wist hij wel. Hij moest sluw zijn.
En voorzichtig! Il Pollo merkte dat ze daar met z’n tweeën drieënhalve seconde naar een nagemaakt Fabergé-ei zaten te kijken. Hij voelde de ogen van zijn zakenpartner over alle details van het kunstwerk gaan. Daar had ze thuis nog genoeg tijd voor, dacht Marcel en hij plaatste zich subtiel tussen de openstaande koffer en de onderzoekende blik van La Pittrice in, al vragend naar haar deel van de deal.
Even kon Il Pollo zijn ogen niet geloven. De vrouw deed een stap opzij en nam een kader vast die al de hele tijd vlak naast hen stond. Er hing een doek over, een flinterdun stukje textiel, dat was alles. Geen koffer of andere beveiliging. Hij had het ding vrolijk kunnen meenemen als hij de winkel iets eerder binnen was geweest! Wist La Pittrice wel wat het ding waard was? Ze was misschien wel amateuristischer dan Il Pollo zich wilde voorstellen en dat stelde hem een beetje gerust.
Het doek werd weggehaald en de schoonheid ontvouwde zich. Het was dus echt waar. Tegenover hem stond ‘de rechtvaardige rechters’, het enige echte vermiste paneel van het Lam Gods. Het godverdomse miljoenenstuk stond op amper anderhalve meter van hem vandaan. Zijn blik gleed over het doek van linksboven naar rechtsonder. Alle details klopten. Dit waren Jan en Hubert. ‘Hoe kwam zij in ‘s hemelsnaam aan dit werk’ was een gedachte die niet eens in hem opkwam. Op zijn hoornvlies stonden enkel nog twee dollartekens.

maandag 11 april 2016

Antieke zaken: deel 1.R


Gestommel, hij was er zeker van! Il Pollo bleef om 10u53 nog zeven minuten op een korte afstand van de etalagedeur van Antiek-Brocante J. D. staan. Zijn lange grijze regenjas, veel te groot voor zijn postuur, wapperde over zijn tengere beentjes. In zijn rechterhand droeg hij een grote zwarte koffer. Het gewicht viel best wel mee. Het puntje van zijn wipneus jeukte geweldig onder een vogelmasker. ‘Daar zouden ze nog eens iets op moeten vinden’ was het enige wat hij dacht, terwijl hij de jeuk probeerde te onderdrukken om niet onprofessioneel over te komen. Hij was vandaag niet Marcel Seegers, maar Il Pollo en enkel als Il Pollo zou hij vandaag herkend worden. Jeuk of niet. Over zeven minuten werd hij verwacht. Over zeven minuten zou zijn leven ook veranderen, in de positieve zin. Hij richtte zijn blik op de zwarte koffer. Het was nu een kwestie van gefocust te blijven.


Il Pollo was niet zonder reden zeven minuten te vroeg gekomen. Dat regelrechte tijdverlies had niets te maken met de deal die er aan zat te komen, laat staan met onzekerheid of zenuwen, maar louter met een vreemd gevoel dat hij de dag ervoor had gehad bij het inspecteren van de antiekzaak. Hij wist niet waarom zijn zakenpartner net op deze plek wilde afspreken en dergelijke onwetendheid resulteerde bij Il Pollo steeds in argwaan. Om die reden was hij gisteren al een kijkje gaan nemen in de winkel, iets wat die hamvraag niet had opgelost.
Een dag eerder, ergens in de namiddag, stond Il Pollo voor de brocanterie en viel het hem vooral op hoe proper de zaak eruit zag. Het bordje boven de deur was waarschijnlijk nieuwer dan elk mogelijk artikel dat in die in de winkel te vinden was. Niet dat er vanaf de etalageruit zo veel te zien was. Twee rekken met oude prullaria en een dozijn aan kastjes en zetels was al wat er stond. ‘De antiquair zal nieuw zijn in zijn vak’, denkt een doorsnee mens dan; ‘hier is iets niet pluis’, denkt Il Pollo. De nieuwe hype van pop-up-toestanden was ook Il Pollo niet ontgaan. Het zou hem dan ook niet verbazen mocht dit ding een pop-up crime scene blijken. Een opgezette scène om de thriller ‘de moord om de kunstruil’ te laten doorgaan. Daar wilde hij liever niet in terecht komen. Zeker niet als het lijk.
Argwaan resulteert in angst en die liet Il Pollo liever niet onbeantwoord. Voorbereid zijn was de boodschap. In dat opzicht noemde Il Pollo zichzelf een echte crimineel: alles op voorhand bestudeerd en bedacht. Anderen noemen het eerder paranoïde.
Een oude koekoeksklok. Dat was het perfecte excuus om die antiekwinkel eens langs de binnenkant te bestuderen. De aartslelijke erfenis stond nu al sinds de dood van zijn grootmoeder acht jaren op zijn zolderkamertje te bestoffen. Het was een goedkoop ding, dat wist hij, maar dit bezoek aan de antiquair was een gelegenheid om zijn zolder weer de nodige ademruimte te gunnen en zo had hij meteen een reden om zijn inspectie voort te zetten.
Il Pollo opende de winkeldeur, dewelke met een klein belletje de gedachten van een oude man in de achterkamer doorprikte. Hij sleepte het enorme ding naar binnen. Wat was hij blij dat het net door de deuropening ging. De deur viel dicht, het belletje rinkelde nogmaals en een krant werd dichtgevouwen. Onder het kraken van een antieke rug werd een stoel achteruit geschoven. Terwijl Il Pollo zijn klok naar binnen bonjourde, slofte de antiquair op zijn dooiste gemak naar hem toe.
“25 euro, meer kan ik u voor zo’n hoopje schroot niet geven.” Il Pollo schrok van de krachtige stem waarmee de antiquair zijn rug aansprak. De stem deed hem denken aan twintig jaar geleden, een tijd waarin leerkrachten niets anders deden dan hem met krachtige stem op zijn slecht gedrag te wijzen, regels te verstrengen en wanhopig zijn naam te roepen als hij boos de klas uit liep. Leerkrachten hadden helaas niets aan zijn gedrag kunnen veranderen, in geen van de scholen waar zijn ouders hem in gestopt hadden. Il Pollo draaide zich om en schrok een tweede keer. Voor hem stond een oude man van wie de volledige linkerzijde van het gelaat verbrand was. Derde graad. Of misschien zelfs vierde, mocht dat bestaan. Rode gezwollen bulten tekenden een pijnlijk verleden. Il Pollo had spijt van zijn ongetwijfeld verafschuwende blik. Deze reactie moest de antiquair zo vaak krijgen.
Il Pollo schudde zijn lange jas weer op zijn plaats en stak uitnodigend een hand uit. De hand bleef onbeantwoord. Wat overbleef was een zakelijke blik die vroeg of hij van plan was de 25 euro te aanvaarden. Nu pas drong het belachelijk lage bedrag tot hem door. “Ik denk niet dat het ding nog werkt,” ging de antiquair op een rustige toon verder, “en dat sparrenhout is van betrekkelijk slechte kwaliteit.” Il Pollo interesseerde zich niet in wat hem aangeboden werd; hij zou morgen oneindig keer meer verdienen. Toch deed hij even of hij over het voorstel nadacht, terwijl hij rustig de tijd nam om de winkel te bestuderen.

Il Pollo werd uit zijn gedachten over de dag voordien opgeschrikt toen hij opnieuw gestommel hoorde. Mensen praatten, steeds luider, en iemand riep iets uit protest. Het moest vanuit de zaak komen. Was zijn zakenpartner al aanwezig? Zat de antiquair mee in een complot? ‘Marcel Seegers (34) gruwelijk vermoord in pop-up antiekzaak’ was de krantenkop die door zijn hoofd zoefde. Of misschien was ‘Man vermoord in antiekzaak’ iets logischer. Het maakte niet uit. Hij moest gefocust blijven. Drie minuten voor elf, las hij nu. Hij kon niet wachten. Tijd om naar binnen te gaan.

Antieke zaken (wat u kan verwachten)



Aan allen die naar deze blog komen voor de tekeningen, proficiat! Aan allen die hiernaartoe komen voor de verhalen; vandaag krijgt ook u sinds lange tijd weer eens uw goesting.

Wat zal volgen, het verhaal 'Antieke zaken', werd geschreven door twee auteurs. We schreven hetzelfde verhaal vanuit twee verschillende oogpunten en zullen het posten in vier delen. Elke drie dagen kan u een nieuw deel verwachten.

Op deze blog kan u de verhaalhelft vinden die werd geschreven door Robin. Op zijn blog zult u de andere helft aantreffen, waarvan ik de woorden bij elkaar heb verzameld. Voor u verwoed op zoek gaat naar deze mysterieuze andere blog: geen zorgen. De link hiernaartoe zal worden gedeeld na het vierde en laatste deel.
Veel plezier!

woensdag 12 augustus 2015

Gras


Het gras was te...

Het gras was...

Mevrouw Smeders boog zich voorover op de tuinstoel om het gazon beter te kunnen bekijken. Er was iets met het gras.

Ze zat helemaal dubbel geklapt. Voor haar leeftijd was ze nog verrassend lenig.

Niet dat ze al zo oud was. Nog geen veertig. Maar mevrouw Smeders had zich altijd al ervarener en wijzer dan haar leeftijdsgenoten gevoeld. En het was die wijsheid, dat instinct dat enkel komt uit jaren levenservaring, dat haar nu vertelde dat er iets mis was met het gras.

Het gras had... Het gras was...

Zelfs nu ze er van zo dichtbij op keek, wilde het haar niet te binnen schieten. Andere mensen zouden misschien niet eens zien dat er iets fout was. Ze zouden haar hoofdschuddend aankijken, haar met zachte hand proberen binnen brengen, waar ze niet naar het gras kon staren. Ze zouden achter haar rug fluisteren dat het maar goed was dat er een plaats was vrijgekomen. Een plaats waar ze geholpen kon worden. Een plaats voor mensen zoals haar. En dan zouden ze haar medelijdend aankijken.

Ze wist dat ze dat zouden doen. Dat deden ze altijd.

Niemand zou willen geloven dat er iets mis was met het gras. Dus moest ze het zelf uitzoeken.

Ze tuurde door half toegeknepen ogen.

Het gras was te...

Soms werd iets duidelijker door het van een afstand te bekijken. Het donkerbruin van de tuinstoel kraakte toen ze achterover leunde. Ze kon op deze manier gemakkelijk de hele tuin overzien. Ze zag het hoge, smeedijzeren hek dat rondom liep en aan twee kanten naadloos aansloot op het Victoriaanse gebouw. "De Plantentuin", stond er in grote letters op te lezen. Eronder, in een kleiner geschrift, was nog iets toegevoegd. Iets dat mevrouw Smeders van hieraf niet kon lezen. Dat hoefde ook niet. Ze wist wat er geschreven was.

"gesloten instelling"

Mevrouw Smeders bestudeerde het gras bij de deur.

Groen, net gemaaid en zo gezond als gras maar kon zijn. Er was niets mis met dat gras. Ze volgde met haar ogen de begroeiing tot bij haar voeten.

Er was iets mis met het gras.

Alleen met het gras vlakbij haar. De rest was in orde.

Het gras was...

Ze friemelde wat met de rode, puntige breinaalden in haar handen. De muts was bijna af, maar ze kon zich niet op het werkje concentreren. Eerst moest ze weten wat er mis was met het gras.

Ze boog zich nogmaals voorover. Wat was er met het gras?

Een snerpende gil doorbrak haar gedachten. Een jong kind, aan de hand van zijn vader. Hij wees terwijl hij schreeuwde. Hij wees naar de verpleger die roerloos op de grond lag.

En eindelijk schoot het mevrouw Smeders te binnen.

Het gras was te rood.

woensdag 10 juni 2015

Svindel (deel 4)


Rik staarde naar het plastieken doosje op het midden van de keukentafel. Er zat een mooie, rode strik rond. Een cadeau dat er ondertussen al maanden onaangeroerd stond, sinds hij was teruggekeerd uit Duitsland.

Door het plastiek lonkte de inhoud naar hem. De doos zat propvol svindeltabletten. De vele verschillende kleuren deden het eruit zien als een doos kindersnoepgoed.

De brief die erbij had gelegen had hij ondertussen al ontelbare keren gelezen. Het was eigenlijk niet eens een hele brief. Slechts twee zinnen.

Nu ben je ook verslaafd aan svindel, lieve Rik. Veel plezier ermee!

Toen hij terugkwam uit Duitsland, had hij nog gehoopt dat de aanvallen van duizeligheid, die steeds frequenter waren geworden, ergens anders door veroorzaakt werden. Maar als hij toch verslaafd was, dan had Anna het waarschijnlijk alleen gedaan uit bezorgdheid voor hem. Hij was van plan om haar de waarheid te vertellen en samen af te kicken.

Hij had nooit gedacht dat ze hem moedwillig svindel had gegeven, op de hoogte van de effecten. Ze moest er al maanden mee bezig zijn geweest. Nu was ze vertrokken en ze had Tuur meegenomen. Kleine Tuur, die al van in de baarmoeder de verslaving had meegekregen. Daar had Rik zelfs nooit bij stilgestaan.

Er werd op de deur geklopt. Hij stond moeizaam op om open te doen.

Het was een politieagent, die hem een mandje met boodschappen aanreikte. Rik zag tomaten, paprika en biefstuk bovenaan. Hij vroeg zich af wat hij daar nu weer van moest klaarmaken. "Bedankt.", zei hij.

De agent bromde iets. Hij wilde helemaal geen boodschappenjongen spelen. Rik kon echter niet meer buitenkomen, sinds het proces tegen hem en zijn medicijn liep. Anna had haar verhaal aan de grote klok gehangen. De kranten noemden het "het meest agressieve verslavende middel ooit". De publieke opinie had zich tegen hem gekeerd en bovendien mocht hij niet vluchten. Er stond permanent politiebewaking rond zijn huis.

De enige vraag was eigenlijk hoe groot zijn straf zou zijn, dat hij veroordeeld zou worden stond al vast. En of ze Sander nog zouden terugvinden. Zijn kompaan was er net op tijd in geslaagd te vluchten en hield zich nu schuil voor de wet.

Hij zette de boodschappen op tafel en graaide erin tot hij de svindel vond. Hoewel al zijn vroegere klanten hem haatten, waren ze nog steeds verslaafd en dus werd svindel nog steeds verkocht. Van de winst zou hij wel niets meer te zien krijgen.

Hij nam twee tabletten in en voelde zich meteen iets beter. Waarom zou hij afkicken? Zijn leven was toch voorbij. Anna was weg. Tuur was weg. Hij vloog de gevangenis in en hij was verslaafd aan zijn eigen nepmedicijn. Soms was hij zo woedend op Anna dat hij haar zou kunnen wurgen. Andere keren, zoals nu, wilde hij haar om vergiffenis vragen. Ze had toch haar wraak genomen?

Hij vervloekte zichzelf en smeet de rest van de tabletten in de vuilbak. Hij wilde wel afkicken. Hij zou zich toch niet laten doen door zijn eigen svindel? En, in tegenstelling tot al die klanten, die maar moedeloos probeerden, wist hij dat het wél mogelijk was op af te kicken. De muizen waren afgekickt. Het was mogelijk.

Hij hoopte dat het Anna en Tuur zou lukken. Ze zaten nu ergens in een afkickkliniek, omringd door mensen die wisten hoe je zoiets aanpakte. Anna geloofde niets meer van wat hij zei, in de rechtbank wou ze hem niet eens meer aankijken, maar zo graag had hij haar verteld dat het kon. Als ze doorzette, kon ze ervan af geraken.

Hij legde de rest van de boodschappen in de koelkast en zocht op het internet wat hij ervan kon maken. Hij kon nog niet zo goed koken. Meestal at hij uiteindelijk iets dat aangebrand, te zout of op een mysterieuze wijze mislukt was. Ook deze keer lette hij eigenlijk niet op alle recepten die hij tegenkwam. Zijn gedachten waren bij Tuur. Zou hij zijn zoontje ooit nog te zien krijgen?

Zijn smartphone trilde. Hij staarde er even naar, kon niet bevatten wat er gebeurde. Niemand belde hem nog. Journalisten, ja, maar om de een of de andere reden dacht hij niet dat dit iemand van de media was.

Het trillen stopte voor hij bedacht dat hij moest opnemen. Hij hield zijn ogen nog even op het ding gericht en pakte het toen uiteindelijk vast. Een gemiste oproep van een onbekend nummer.

De smartphone begon in zijn handen te trillen. Opnieuw een oproep, opnieuw van een onbekend nummer.

"Hallo?"

"Hé Rik!", klonk Sanders stem.

"Sander!" Rik kon het niet geloven. Waar ben je? De vraag lag op zijn lippen. Hij bedacht zich net op tijd dat dit gesprek sowieso afgetapt werd. Als zijn vriend antwoordde, wist de politie het ook meteen.

"Ik kan maar kort bellen, Rik. Ze traceren en zo. Ik wou je gewoon even dit zeggen: ik heb twee muizen meegenomen. Je weet wel welke. Ze zijn gestorven."

Voor Rik nog kon antwoorden, legde Sander al af. Rik bleef met de telefoon in zijn handen zitten en kon maar één ding denken. Je weet wel welke. De afgekickte muizen.

Het meest agressieve verslavende middel ooit.

zondag 7 juni 2015

Svindel (deel 3)


Duitsland was een vermoeiend land. Daar was Rik na vijf dagen in München van overtuigd.

Natuurlijk wist hij ook wel dat het niet aan het land lag, maar aan al die drukte die met deze zakenreis gepaard ging. Alles regelen met deze nieuwe handelspartners, die over elk klein puntje wilden discussiëren en hem voortdurend grote schnitzels en dikke worsten met kleine boterhammetjes voorschotelden. En dan werd hij nog om de vijf minuten lastig gevallen door het kantoor thuis. Het leek wel alsof ze hem bij elk klein akkefietje nodig hadden.

Hij probeerde zijn geeuw te verbergen achter zijn hand. De tolk keek hem strak aan, maar de twee Duitsers hadden het niet gemerkt. Ze waren vrolijk aan het babbelen. Hij begreep er niet veel van. Zijn Duits was nooit erg goed geweest. Uit hun voortdurende blikken op de man verderop kon hij wel opmaken dat het niet over hun handelscontract ging. Het onderwerp van hun gesprek was verkleed als een enorme oranje vogel en liep in het restaurant rond alsof hij niet wist waar hij moest zijn, ook al zat er maar één groep kinderen met feesthoedjes op.

Rik sneed nog een stukje schnitzel af, ook al zat hij eigenlijk al vol. Net toen hij probeerde bedenken hoe onbeleefd het zou zijn om de rest te laten staan, richtten de twee Duitsers zich weer op hem. "We hebben nagedacht over de winstenverdeling wanneer uw svindel populair zal blijken te zijn.", vertaalde de tolk. "Als we zelf een fabriek opzetten, hebben we uiteraard recht op een groter deel."

Over dat stuk bakkeleiden ze al dagen. Rik was ervan overtuigd dat svindel ook in Duitsland een succes zou worden. Het zou hem niets verbazen als de helft van de Duitsers last had van duizeligheid omdat er nog geen goed middel op de markt was.

Niet dat svindel een goed middel was, maar dat hoefde de klant niet te weten. Zelfs zijn eigen vrouw was er niet van op de hoogte. Dat wilde hij zo houden. In haar ogen was hij een goudeerlijke man. Die illusie beviel hem wel.

Hij slikte snel zijn eten door. "Dat gedeelte is opgenomen in het voorlopige contract. Bij een eigen fabriek krijgen jullie wel degelijk een grotere winst."

Ze begonnen antwoord te geven en nog voor het Duits was afgelopen, kende hij de strekking al: 'Ja, maar, nog een grotere winst'. Zijn smartphone trilde voor de tolk aan de vertaling kon beginnen.

Hij stak zijn vinger op. "Excuseer me." Na even naar de naam gekeken te hebben, nam hij op.

"Sander," zei hij geïrriteerd nog voor zijn gesprekspartner iets kon zeggen, "wat is er nu weer?"

Sander was zijn partner, de man met wie hij svindel had opgericht. Rik regelde de verkoop en de financiën, Sander regelde het medicijn zelf.

"Goed nieuws!", riep Sander enthousiast uit. "De muizen zijn afgekickt! Ze krijgen nu al zes maanden geen svindel meer en ze vertonen geen enkel ontwenningsverschijnsel meer. En geloof me, we zijn er ondertussen al goed in geworden om duizeligheid bij die beesten op te merken."

Rik keek snel naar de tolk. Hij had al opgemerkt dat de man verontrustend goede oren had. Het was niet de bedoeling dat de Duitsers erachter kwamen dat svindel helemaal geen medicijn was, maar een verslavend middel dat precies de ziekte veroorzaakte die het geacht werd te bestrijden. Tenminste, nu nog niet. Misschien kon hij hen later meetrekken in de zwendel. Wanneer de ontdekking te dichtbij kwam en hij wist dat ze te vertrouwen waren.

"Ik had je gezegd me niet steeds te bellen.", wees hij Sander terecht.

"Je had gezegd dat ik je niet voor elk klein probleempje moest bellen. Dit is helemaal geen probleem."

Rik hield zijn hand voor de speaker en zei tegen zijn handelspartners: "Excuseer me een ogenblik." Hij stond op en vertrok naar de toiletten terwijl de tolk de Duitse versie van zijn woorden sprak.

"Nu moet je me toch eens uitleggen, Sander," zei hij in de telefoon zodra hij buiten gehoorsafstand was, "hoe dit geen probleem is. We kunnen klanten kwijtraken. Ze kunnen zonder ons."

"Om te beginnen zal het een verzachtende omstandigheid zijn als het ooit uitkomt. En nu zijn het goede huisdieren. Ik ga er twee meenemen."

Rik kon zijn vriend bijna zien glimlachen door de telefoon heen. Sander was altijd zo enthousiast over kleine dingen. "Ik wil helemaal niet in de gevangenis belanden, of het nu voor tien of negen jaar is."

"Eigenlijk is het..."

"Ik wil het niet weten, Sander. Ik vind het nog steeds geen goed nieuws!"

"Dat de muizen afgekickt zijn, betekent dat de verslaving onder controle te houden valt. En als we daarin slagen, hoeft niemand er ooit achter te komen dat ze verslaafd zijn. Hoe langer svindel op de markt is, hoe meer kans dat het opvalt, dat weet je."

Rik zuchtte. Dit soort gedachtekronkels was niets voor hem. Hij vond de klanten en Sander zorgde ervoor dat ze bleven. "Goed, goed. Vanaf nu bel je me alleen als er iets echt dringends is, oké?"

"Begrepen, Rik. Veel succes nog met die Duitsers."

Rik legde af en stond nog even naar de muur te kijken. Hij had geen zin om terug te gaan naar de vermoeiende handelsgesprekken. Nog meer eten. Hij ging tegenwoordig altijd naar bed met een maag die op barsten stond. Van de overheerlijke zelfgebakken cake die Anna hem had meegegeven, had hij nog niets kunnen eten.

Uiteindelijk wandelde hij terug naar de tafel. De vogel was aan zijn show voor de kinderen begonnen en zijn twee handelspartners waren vrolijk aan het meekijken.

"Je eten is nog niet op.", zei een van de twee met een gebaar naar zijn bord.

Rik zuchtte en schoof zijn stoel naar achteren. Voor hij kon gaan zitten, werd hij plots overvallen door zo'n grote aanval van duizeligheid dat hij zijn evenwicht verloor en op de grond viel.

"Oei oei," zei de tolk, "je neemt misschien beter een svindel."

vrijdag 5 juni 2015

Svindel (deel 2)


De dag dat Rik zijn eerste aanval van duizeligheid had, leek een dag als alle andere. Het was een miezerige herfstdag. De zon vocht voor een plaatsje aan de hemel en de wolken vochten even hard terug. Op de radio vertelde de nieuwslezer over oorlogen ver weg en voetbalwedstrijden dichtbij.

Vanuit zijn kinderstoel schreeuwde Tuur de hele kamer bij elkaar. Het leek voor zijn vader wel alsof hij steeds vaker dit soort buien had. Rik legde zijn smartphone even aan de kant. Aarzelend stak hij zijn handen uit naar zijn zoontje en mompelde troostende woordjes. Hij had er geen idee van wat er mis was. Ondanks de tien maanden ervaring was babytaal nog steeds een groot mysterie.

Zijn vrouw Anna schoof hem een fles melk toe en ging verder met de tafel zetten. Tuur stak er al gretig zijn handjes naar uit. Opgelucht dat hij nu wist wat te doen gaf Rik de fles aan het kind.

"Drukke dag vandaag?", vroeg Anna toen ze zag dat hij meteen weer naar zijn smartphone greep.

"Valt wel mee.", mompelde Rik afwezig. Hij fronste zijn wenkbrauwen terwijl hij de mail van een medewerker las.

"Ze zijn van plan een nieuwe vestiging te openen.", vertelde Anna terwijl ze de messen op tafel legde. "In de kakelwijk, hierachter."

"Mmh."

Geïrriteerd bleef Anna staan. Dit was weer net als elke morgen. Ze wilde toch alleen maar een normaal gesprek. Een beetje aandacht. "Heb je me gehoord?"

Haar toon deed hem opkijken. "Ja hoor. De kakelwijk. Dat is goed."

"Wel, ik dacht dat ik daar dan misschien kon gaan werken. Ze zullen een overplaatsing wel goedkeuren."

"Geweldig. Dat moet je zeker doen." Met het idee dat het onderwerp hiermee afgerond was, richtte hij zijn aandacht weer op zijn mails.

Tuur keek met grote ogen van papa naar mama terwijl hij de melk naar binnen klokte. Anna stond op het punt haar ongenoegen in een lange monoloog te gieten toen Rik plotseling opstond, zijn ogen nog steeds aan het schermpje gekleefd. Hij moest zich vasthouden aan de tafel en liet zijn smartphone vallen.

Meteen veranderde Anna's gezichtsuitdrukking. Ze was maar al te goed bekend met aanvallen van duizeligheid. Zelf had ze er regelmatig last van. Er was maar één geneesmiddel dat hielp.

"Rik!", riep ze verschrikt uit. "Je bent toch niet duizelig?"

"Nee, nee, het is al goed." De duizeligheid was even snel over als ze gekomen was. Hij bukte zich om zijn broodnodige toestel op te rapen en controleerde snel of het niet kapot was.

"Wil je een svindel?", opperde Anna.

"Nee, dat is niet nodig. Ik ben in orde." Hij ging naar de keukendeur. "Ik moet nog even iets gaan halen."

Anna hoorde hoe haar man terug naar boven ging. Ze was ervan overtuigd dat Rik niet in orde was. Aanvallen konden heel plotseling komen, dat wist ze uit ervaring. Stel dat hij duizelig werd terwijl hij naar zijn werk reed? Hij zou in een auto-ongeluk terecht kunnen komen! Het was beter om een pilletje uit voorzorg te nemen.

Ze deed het medicijnkastje, dat in een hoek van de keuken hing, open. Tussen de pleisters, aspirines en hoestsiroop lag een hele voorraad svindel. Ze had alle smaken die op de markt waren gebracht. Sinaasappel, kers, vanille, appel, framboos,... Aangezien ze minstens elke ochtend een tablet nam, varieerde ze graag al eens. Ze nam twee mokka-exemplaren en een aardbei. Het rode pilletje legde ze op tafel voor Riks stoel. Met de andere twee liep ze naar het koffiezetapparaat.

Tuur liet zijn fles op de grond vallen op het moment dat Rik terug binnenkwam. Rik stopte een mapje in zijn aktetas en raapte de fles op, die hij terug aan zijn zoontje gaf.

"Ik wil geen medicijnen.", zei hij met nadruk.  Hij had het pilletje op zijn plaats zien liggen. Met grote gebaren legde hij het aan de kant toen hij ging zitten.

"Het kan toch geen kwaad, gewoon uit voorzorg?"

"Nee, ik ben in orde. Ik heb geen medicijnen nodig." Met ferme gebaren begon hij een boterham te smeren.

Anna had al geweten dat dit ging gebeuren. Rik wou nooit medicijnen. Vorig jaar, toen hij acute appendicitis kreeg, had ze hem naar de dokter moeten sleuren. Ze schonk twee koppen koffie in en deed in allebei een mokkatabletje svindel.

"Oké, sorry, ik liet me wat gaan.", gaf ze toe, terwijl ze de tassen op tafel zette. "Ik ben gewoon een beetje bezorgd."

Ze ging op haar eigen stoel zitten en zag ze hoe hij een slok koffie nam. Koffie met svindel.

"Geen probleem, Anna.", glimlachte hij. "Wat was dat nu over een vestiging in de kakelwijk?"

dinsdag 2 juni 2015

Svindel (deel 1)

Draait de wereld om je heen? Sta je niet helemaal zeker op je benen?
Last van duizeligheid?
Nu is er een oplossing!


Gebruik svindel en uw aanvallen van duizeligheid zijn voorgoed verleden tijd! Svindel is een betaalbaar, makkelijk te verkrijgen geneesmiddel op basis van natuurlijke ingrediënten.


Vele mensen gingen u voor. Niet langer wordt hun leven verstoord door duizeligheid.
Anna: "Sinds ik svindel gebruik, zijn mijn aanvallen van duizeligheid voorgoed verleden tijd."
Sander: "Nu ik svindel heb ontdekt, wordt mijn leven niet langer verstoord door duizeligheid."
Aarzel dus niet! U kan svindel vandaag nog kopen!


Ingrediënten: zeewiermineralen, waterdamp,  ethylalcohol, natriumchloride, dierlijke eiwitten, linolzuur. Kan sporen van wraakzucht bevatten.
Opgelet:
werking niet wetenschappelijk bewezen
dit geneesmiddel wordt niet terugbetaald door uw ziekenfonds

vrijdag 15 mei 2015

Waterdroog


Waterdroog was een gehucht dat tien dagen lang bestaan heeft in mei 1986 op een eiland in de Stille Oceaan. De stichter - Olle Carlsen - wilde een plaats creëren waar mensen konden leven zonder moderne technologie en de demonen die daar volgens hem bij hoorden.

Olle had in vijf landen een strafblad en verhuisde om de paar jaar. Hij was verantwoordelijk voor de brand in het hoofdkantoor van het ministerie van financiën van Frankrijk in 1977. Eerder had hij zichzelf aan de deur vastgeketend om te protesteren tegen de aankoop van computers. Deze actie had niet veel uitgehaald, aangezien er een paar meter verder een tweede toegang tot het gebouw bestond. Twee jaar later veroorzaakte hij de ontsporing van een trein in Oostenrijk. Daarna probeerde hij een fabriek van gloeilampen te stelen in India, maar zijn gehuurde olifant was niet sterk genoeg om de muren uit de grond te trekken. Ook de vele afgeplakte verkeerslichten in Londen en het voortdurende telefoongerinkel tijdens het politieke congres in New York in 1985 waren zijn verantwoordelijkheid.

Een heleboel mensen waren blij dat Olle had besloten zichzelf te isoleren op een of ander eiland. Met zijn toespraken en acties tegen technologie had hij echter ook heel wat aanhangers vergaard. Achtentwintig mensen besloten hem te volgen en vaarden samen met hem naar het beloofde eiland. De kleine commune noemde zichzelf Waterdroog.

De eerste dag was meteen ook het toppunt. Een aantal inwoners hielden dagboeken bij, die zijn teruggevonden. Twee van hen schreven deze zelfs met ganzenveer en inkt. Uit deze bronnen kwamen onderzoekers te weten dat tegen de avond van de eerste dag drie mensen gestorven waren door toedoen van een 'monster'.

Dag na dag vielen meer en meer inwoners ten prooi aan dit gedrocht van technologie. Allen waren ze het erover eens dat dit monster een mutatie was, ontstaan door de radiogolven die over de hele wereld uitgezonden worden. Een precieze beschrijving ontbreekt.

Tegen dag negen waren 27 van de 29 inwoners ten prooi gevallen aan het Waterdroogmonster. Op dat punt stopt het laatste dagboek. De laatste twee inwoners worden verondersteld hetzelfde lot te hebben ondergaan, hoewel hier discussie over bestaat. Er zijn theorieën die vertellen dat Olle het hele monster in scène heeft gezet, en nog steeds ergens rondhangt. Veel aanslagen tegen de technologie worden nog steeds aan hem toegeschreven.

Tot op de dag van vandaag worden er wetenschappelijke expedities en toeristische uitstapjes naar het spookdorp gemaakt. Groepjes amateurfotografen maken enthousiast kiekjes van de restanten van een kleine, nooit echt uitgebouwde nederzetting. Resten van de menselijke lichamen zijn nergens teruggevonden. Ondanks de vele onderzoeken is nooit opgehelderd geraakt wat er in Waterdroog gebeurd is.

woensdag 6 mei 2015

Schuim (deel 3)


Het dienstertje stond nog steeds verbijsterd achter de toog, maar ze ging al snel gillend achteruit toen Grote Jos ook achter de bar kwam.

Hij schonk niet teveel aandacht aan haar. Hij zocht een glas dat nog heel was en opende de koelkast. Zijn hand ging al naar de doos sojamelk toen hij werd weggeduwd door een vreemd prikkend ding.

De dienster had de namaakhertenkop van de muur gehaald en gebruikte die als een buffer tussen haarzelf en de vermeende aanvaller. Als ze hem maar terug aan de andere kant van de toog kon krijgen... Hij greep het plastic gewei en begon terug te duwen.

Ze struikelde, viel recht in de glasscherven. Jos kreeg niet eens de tijd zich te verontschuldigen, ze schopte zijn benen onder hem vandaan, zodat hij zelf ook op het glas terecht kwam.

Onder het klapdeurtje dat de toog met de muur verbond lagen een paar servetten, die iemand in alle verwarring van de bar gestoten moest hebben. Hij reikte ernaar, want hij wilde er het bloeden van zijn handen mee stelpen.

Hij trok een wit doekje naar zich toe en liet meteen los. Het stukje dat achter het hoekje had gelegen was de voedingsbodem voor een vlam.

Iemand merkte het tegelijk met hem op. "Brand!", werd er geroepen. De kreet werd meteen overgenomen door verschillende stemmen. "Brand!"

Er waren tijdens al die gevechten verschillende kaarsen van de tafels gestoten, of meteen met tafel en al op de grond gevallen. De meeste waren gedoofd, maar sommigen hadden over het uitgelopen, gesmolten kaarsvet een pad gevonden naar een houten stoel, een rugzak of iemands jas. Terwijl iedereen zo bezig was klappen uit te delen of ze zelf te incasseren - meestal allebei - hadden al deze kleine vuurtjes zich kunnen aaneensluiten tot een paar grotere.

De klanten renden meteen naar buiten. Er ontstond een enorme opstopping bij de deur en het aantal blauwe plekken werd verdubbeld. Sommigen probeerden de brandjes te blussen, maar ze waren al met te veel en te groot. Voor elke vlam die gedoofd kon worden, kwamen er twee nieuwe bij.

Later, toen iedereen buiten stond en de brandweer de laatste resten van het café probeerde te redden, kwam Kleine Sam bij Grote Jos staan. Ze zagen er alle twee verschrikkelijk uit.

"Sorry van je sojamelk.", zei hij.

"Sorry van je vriendin.", zei Grote Jos.

Ze keken allebei naar de dienster, die in de armen van een brandweerman lag om hem te bedanken voor het redden van haar leven. Ook al had ze al veilig buiten gestaan toen hij aankwam.

Kleine Sam wendde zijn blik af. "Ik zal je een nieuwe sojamelk trakteren." Hij duwde zijn vriend de menigte ramptoeristen uit, voor de eigenares van het café zich weer zou herinneren wie er verantwoordelijk was. "Deze keer eentje met schuim."

maandag 4 mei 2015

Schuim (deel 2)


Grote Jos voelde warm bloed uit zijn neus lopen. Woedend pakte hij de arm van zijn vriend en trok hem over tafel. Met z'n tweeën belandden ze op de grond, worstelend, roepend en stoelen omgooiend.

Verscheidene klanten sprongen op van hun plaatsen. Ze twijfelden of ze van dichtbij zouden kijken of toch maar veilig uit de buurt blijven. Een jongen dronk snel de glazen van een naburige tafel leeg en griste er ook een chipszakje weg.

Het dienstmeisje liep naar de toog en haalde er een dikke knuppel vanachter tevoorschijn. "Ik zou graag een nieuwe bestelling opnemen," zei iemand vriendelijk tegen haar.

Door haar gestresseerde toestand deed de onverwachte stem haar verschrikkelijk schrikken. Vlak voor zich zag ze een woest gezicht vol tatoeages en piercings. Ze gilde en zwaaide met de knuppel.

De man bukte en ze zwaaide door. Met een rinkelend geluid braken een heleboel flessen en glazen in stukken vaneen. Ze trok snel het wapen terug en stootte daarbij alleen nog maar meer glaswerk van de planken.

"Hela, hela!", klonk het moeiteloos boven al het lawaai uit. "Wat is me dat hier?"

De oude barkeeper kwam net uit de toiletruimte. Ze mocht dan wel klein en oud zijn, met haar handen in haar zij en die boze blik op haar gezicht leek ze opeens iemand om voor op te passen. Meteen was het stil in het café. Het dienstertje liet voorzichtig de knuppel zakken en probeerde eruit te zien alsof al die glasscherven aan haar voeten normaal waren. Jos en Sam stopten met vechten. Ze zaten allebei onder de bulten en de blauwe plekken. Hun kleren waren gescheurd en het was niet duidelijk welke bloedvlekken van wie waren.

"Wel?", vroeg de barkeeper toen iedereen bleef zwijgen.

Sam en Jos krabbelden overeind.

"Er was een gevecht, mevrouw." antwoordde een van de klanten.

Ze trok haar wenkbrauwen op en keek naar haar personeelslid, naar de ravage achter de bar en de knuppel in haar hand. "En daarom sla je alles kapot?"

"Ze waren om mij aan het vechten.", verklaarde de dienster, alsof iedereen daarom kasten vol flessen zou beginnen kapotslaan.

"Ik was niet om jou aan het vechten!", riep grote Jos uit. "Ik wil gewoon schuim op mijn sojamelk!"

Kleine Sam pakte het schuimloze glas en goot de inhoud leeg over het hoofd van zijn vriend. "Hier heb je je sojamelk."

Jos kneep zijn ogen dicht en probeerde de nattigheid van zich af te vegen. Ondertussen vloog de getatoeëerde man Sam aan. "Je moost niet met sojamelk!", brulde hij. De tafel bezweek onder de twee mannen die erbovenop belandden en het glas bier van Sam kletterde in scherven op de grond.

Sam kon alleen maar zijn armen beschermend over zijn hoofd slaan terwijl de spierbundel hem in elkaar sloeg. De oude vrouw beende met grote passen op het dienstertje af en pakte de knuppel uit haar handen. Het glas rinkelde onder haar schoenen. "Er wordt niet gevochten in mijn zaak!", beval ze tevergeefs.

Een aantal klanten besloten dat dit het geknipte moment was om die zaak te verlaten. De koude luchtstroom van de deur deed de getatoeëerde man even opkijken uit zijn razernij. Op dat moment raakte de knuppel hem vol op het achterhoofd. Met zijn hand op de pijnlijke bult keek hij om. Hij kon nog net bukken voor de tweede slag. Een klant die het gevecht van dichtbij was komen bekijken ving de klap op. Ze zonk jankend op haar knieën en haar vriend keerde zich meteen woedend naar de barkeeper, waarop iemand anders hem weer probeerde tegen te houden.

Binnen de kortste keren waren alle aanwezigen in het gevecht betrokken. Het was klappen uitdelen of er krijgen, en de meeste mensen probeerden aan de uitdelen-kant terecht te komen.

vrijdag 1 mei 2015

Schuim (deel 1)


Een klein beetje schuim, dat was toch niet teveel gevraagd?

Grote Jos hief het glas op en tuurde door één oog naar de vloeistofrand. Als hij goed keek kon hij wel degelijk schuim zien... een halve meter verder, op het bier van Kleine Sam.

Met een klap zette hij het glas op de tafel. Niemand keek zelfs maar zijn kant op. Hij tilde het opnieuw op en zette het harder neer. Een deel van het drinken vloog over de rand en maakte zijn hand nat. Deze keer deed het geluid wel iemand reageren.

"Rustig, Jos.", zei Sam afwezig. "Ik moet je toch niet elke minuut van de dag aandacht schenken? Zoek dan zelf ook een beetje gezelschap."

Kleine Sam richtte zich terug op het dienstertje dat half bij hem op schoot zat. Ze duwde de tafel helemaal opzij. Grote Jos, die aan de andere kant zat, had al een keer zijn stoel naar achter moeten schuiven.

"Ik wil geen gezelschap.", snauwde Jos, "Ik wil gewoon mijn bestelling."

Ze hoorden hem niet, of wilden hem niet horen. Jos keek om zich heen. Was er nergens een andere dienster om zijn beklag bij te doen?

Het was geen al te groot café. Verspreid over eenvoudige houten tafels en stoelen zaten een aantal klanten te keuvelen in kleine groepjes. Een langwerpige kaars sierde elke tafel. Op de muren waren bostaferelen geschilderd en boven de bar, tussen rekken vol glazen en flessen, hing het hoofd van een hert. Een van de geweitakken was afgebroken en eronder was het witte plastic zichtbaar, maar voor de helft van de klanten die aan de andere kant zaten, zag het er nog steeds uit alsof het echt kon zijn en dus bleef het hangen.

Het was een rustige dag. Sam zijn nieuwe vriendin was de enige die de tafels bediende, en de oude vrouw achter de bar was nergens te bekennen. Hij draaide zich snel terug naar voren toen hij een woedende blik kreeg van een gespierde man vol tatoeages en met drie piercings door één neusgat.

Jos legde zijn grote hand op de schouder van de dienster. "Excuseer", begon hij.

Voor hij verder kon gaan, sloeg Kleine Sam zijn hand weg. "Niet mijn gezelschap," zei hij dreigend, "zoek maar iemand anders."

Eindelijk keek het meisje Jos aan. Dat zou niet lang duren, wist hij. "Ik wil haar niet afpakken.", verzekerde hij Sam. "Ik wil schuim op mijn drinken." Dat herhaalde hij, luider en tegen het dienstertje: "Ik wil schuim op mijn drinken!"

Ze keek fronsend naar zijn glas. Ondanks haar vertwijfeling, maakte ze toch aanstalten om op te staan. Kleine Sam sloeg meteen zijn arm om haar middel. "Wat een onzin.", snoof hij tegen zijn vriend. "Je kan het gewoon niet hebben dat ik eens iemand tegenkom."

"Jij komt voortdurend iemand tegen.", antwoordde Jos geïrriteerd. "Je zit al de hele tijd al haar aandacht op te souperen. Laat haar haar werk eens doen en mij een goede bestelling brengen."

"Zie je wel!", riep Kleine Sam triomfantelijk uit. "Je wil haar voor jezelf!"

"Ik wil haar niet, ik wil schuim."

"Maak dat de kat wijs, Jos. Op sojamelk zit geen schuim."

Daar was het weer, dat schampere lachje. Sam lachte hem altijd uit met zijn keuzes: hij vond zijn kledij belachelijk, hij vond zijn huis belachelijk en hij vond sojamelk belachelijk. "Op deze niet, nee. Op echte goede sojamelk zit wel schuim en dat is wat ik besteld heb!" Hij trok Sams arm opzij, zodat het meisje terug vrij was om de klanten te bedienen. Dat viel niet in goede aarde.

Sam stond zo snel op dat zijn stoel omver viel en de dienster maar net haar evenwicht kon bewaren. Hij boog over de tafel en sloeg Jos met zijn vuist recht in het gezicht.